We zitten op een boomstronk, Betty en ik. Een eindje verderop, verstopt tussen bomen in een afgelegen stuk bos, ligt een rots in de vorm van een hart. Oud, verweerd en afgebrokkeld, begroeid met plukjes mos. We zitten hier, omdat deze afstand precies goed is. Verder weg hoeft niet, maar dichterbij ook zeker niet.